Spijsvertering
De tijger is een zoogdier. De spijsvertering is daarom ook zo goed als volledig dezelfde als bij de mens.
We overlopen de spijsvertering langs de weg die het voedsel aflegt.
- De mond
In de mond wordt het voedsel als eerste gedeeltelijk verteerd. Dit gebeurt door de speekselklieren, die het sap speeksel produceren. Speeksel bevat het enzym amylase, waarmee amylose ofwel zetmeel wordt afgebroken.
Het is belangrijk dat het voedsel goed gekauwd wordt. Ten eerste om het voedsel in kleine deeltjes onder te verdelen, waardoor het organisme het makkelijker kan verteren en ten tweede om het goed met speeksel te vermalen, om de vertering nog meer te bevorderen.
Overlangse doorsnede door mond en keel. Links bij inademen, rechts bij uitademen.
Wanneer we slikken gebeuren er 2 dingen die voorkomen dat het voedsel niet in de luchtpijp terecht komt: Eerst is er de huig, die bij het slikken omhoog wordt getrokken zodat het voedsel niet in de neusholte terechtkomt. Dan is er ook nog het strotklepje, dat de luchtpijp afsluit bij het slikken. Hierdoor komt er geen voedsel in de luchtpijp en zo wordt het ook onmogelijk te ademen en te slikken tegelijkertijd.
- De slokdarm
De slokdarm dient enkel om het voedsel van de mond zeer snel naar de maag, dat gesitueerd is in de onderbuik, te transporteren. Dit doet het door het maken van peristaltische bewegingen.
Dit zijn bewegingen waarbij de slokdarmwand eerst uitzet en daarna samengeknepen wordt. Hierdoor wordt het voedsel dus, doordat het dankzij het samenknijpen smaller wordt, geduwd naar de plaats waar de darmwand uitzet. Vervolgens knijpt deze weer samen en het voedsel wordt weer verder gezonden naar de plaats waar de darmwand nu gaat uitzetten. Dit gaat zo door totdat het voedsel de maag bereikt.
Dankzij deze bewegingen gaat het voedsel sneller (het duurt ongeveer 1 sec.) door de slokdarm.

- De maag
Na de slokdarm komt de voedselbrij aan in de maag. Hier wordt het voedsel vermengt met maagsap. Dit bevat 3 dingen:
- Het enzym pepsine.
Pepsine is een protease, het breekt proteïnen of eiwitten af tot mono-, di- en tri-peptiden. Maar om pepsine zijn werk te laten doen, heeft men een zuur milieu nodig. Een pH van 3 zou ideaal zijn. Maagzuur (zie B.) zorgt voor dit zuur milieu.
- Maagzuur
Maagzuur is een zuur. Het zorgt ervoor dat de omgeving zuur wordt en pepsine (zie A.) zijn werk in de beste condities kan doen, om zo de vertering te versnellen.
- Maagslijm
Maagslijm wordt geproduceerd en gaat tegen de wand van de maag zitten. Dit is nodig, want een zuur (!Maagzout is zoutzuur!) zal de maagwand gaan aantasten. Om dit te voorkomen wordt het slijm ineen dikke laag op de wand gesmeerd en wordt het slijm aangetast en niet de maagwand.
De maag kneedt het voedsel enkele uren, waarna er stelselmatig een deel van de voedselbrij wordt doorgelaten naar de twaalfvingerige darm. Om er voor te zorgen dat er regelmatig een kleine hoeveelheid vertrekt, zit er aan de onderkant van de maag de maagspier, dit is een kringspier.
- De twaalfvingerige darm
Op het einde van de de twaalfvingerige darm (hij is inderdaad ongeveer twaalf vingers lang!) voegt de pancreas of alvleesklier alvleessap en de galblaas gal, daat door de lever is geproduceert (de galblaas dient enkel als opslagplaatst), toe aan de voedselbrij. Gal doet 2 dingen:
- Het neutraliseert de zure omgeving.
In de twaalfvingerige darm is het enzym trypsine actief. Dit enzym werkt het beste in een licht basisch milieu (pH 8). Gal neutraliseert het zure milieu van ongeveer pH 3 uit de maag en maakt het lichtjes basisch. Trypsine breekt lipiden of vetten af tot glycerol en 3 vetzuren.
- Het emulgeert vetten.
Gal emulgeert vetten, d.w.z. het verdeelt "grote" vetdruppels in vele kleine vetdruppeltjes. Dit zorgt ervoor dat trypsine deze vetdruppeltjes veel sneller kan afbreken.
De pancreas of alvleesklier scheidt alvleessap af. Dit bevat enzymen die koolhydraten (suikers), proteïnen (eiwitten) en lipiden (vetten) afbreken.
- De dunne darm
Na de twaalfvingerige darm vervolgt het voedsel zijn weg in de dunne darm. Deze is ongeveer 7 meter lang en is de belangrijkste schakel in de spijsvertering. Deze verteert en neemt alle stoffen die nog verteerd moeten worden op. Het verteren gebeurt dankzij (dunne) darmsap. De dunne darm bevat enzymen die peptiden (= half verteerde eiwitten), lipiden (= vetten), saccharose (= kleine suikers), maltose (= half verteert zetmeel) en lactose (= kleine suikers) verteren.
De dunne darm neemt deze vervolgens op door de dunne darmwand. Om deze absorptie beter te laten verlopen, heeft de dunne darm plooien. Deze dienen als oppervlaktevergroting. We zien plooien op de wand: de darmplooien. Maar deze darmplooien zijn nog eens onderverdeeld in kleinere plooien. Dit zijn de darmvlokken. Op cellullair niveau zien we nog eens plooien: microvilli (enkelvoud: microvillus).
- De dikke darm
De dikke darm bestaat o.a. uit de karteldarm.
De karteldarm heeft als functie het water uit de voedselbrij op te nemen en de voedselbrij herleiden tot een vaste stof. Omdat de overgebleven stof geen nut meer heeft voor ons lichaam, verlaat ze het lichaam in de vorm van uitwerpselen.
- De endeldarm en aars
De endeldarm ontvangt deze uitwerpselen en slaagt ze op tot een redelijke hoeveelheid. Wanneer deze hoeveelheid groot is, moet de tijger zich ontlasten. Dit gebeurt via de aars die de uitwerpselen eerst tegenhoudt via de sluitspier. De sluitspier is een kringspier.
In de mond wordt het voedsel als eerste gedeeltelijk verteerd. Dit gebeurt door de speekselklieren, die het sap speeksel produceren. Speeksel bevat het enzym amylase, waarmee amylose ofwel zetmeel wordt afgebroken.
Het is belangrijk dat het voedsel goed gekauwd wordt. Ten eerste om het voedsel in kleine deeltjes onder te verdelen, waardoor het organisme het makkelijker kan verteren en ten tweede om het goed met speeksel te vermalen, om de vertering nog meer te bevorderen.
Overlangse doorsnede door mond en keel. Links bij inademen, rechts bij uitademen.
Wanneer we slikken gebeuren er 2 dingen die voorkomen dat het voedsel niet in de luchtpijp terecht komt: Eerst is er de huig, die bij het slikken omhoog wordt getrokken zodat het voedsel niet in de neusholte terechtkomt. Dan is er ook nog het strotklepje, dat de luchtpijp afsluit bij het slikken. Hierdoor komt er geen voedsel in de luchtpijp en zo wordt het ook onmogelijk te ademen en te slikken tegelijkertijd.
De slokdarm dient enkel om het voedsel van de mond zeer snel naar de maag, dat gesitueerd is in de onderbuik, te transporteren. Dit doet het door het maken van peristaltische bewegingen.
Dit zijn bewegingen waarbij de slokdarmwand eerst uitzet en daarna samengeknepen wordt. Hierdoor wordt het voedsel dus, doordat het dankzij het samenknijpen smaller wordt, geduwd naar de plaats waar de darmwand uitzet. Vervolgens knijpt deze weer samen en het voedsel wordt weer verder gezonden naar de plaats waar de darmwand nu gaat uitzetten. Dit gaat zo door totdat het voedsel de maag bereikt.
Dankzij deze bewegingen gaat het voedsel sneller (het duurt ongeveer 1 sec.) door de slokdarm.

Na de slokdarm komt de voedselbrij aan in de maag. Hier wordt het voedsel vermengt met maagsap. Dit bevat 3 dingen:
- Het enzym pepsine.
- Maagzuur
- Maagslijm
Pepsine is een protease, het breekt proteïnen of eiwitten af tot mono-, di- en tri-peptiden. Maar om pepsine zijn werk te laten doen, heeft men een zuur milieu nodig. Een pH van 3 zou ideaal zijn. Maagzuur (zie B.) zorgt voor dit zuur milieu.
Maagzuur is een zuur. Het zorgt ervoor dat de omgeving zuur wordt en pepsine (zie A.) zijn werk in de beste condities kan doen, om zo de vertering te versnellen.
Maagslijm wordt geproduceerd en gaat tegen de wand van de maag zitten. Dit is nodig, want een zuur (!Maagzout is zoutzuur!) zal de maagwand gaan aantasten. Om dit te voorkomen wordt het slijm ineen dikke laag op de wand gesmeerd en wordt het slijm aangetast en niet de maagwand.
De maag kneedt het voedsel enkele uren, waarna er stelselmatig een deel van de voedselbrij wordt doorgelaten naar de twaalfvingerige darm. Om er voor te zorgen dat er regelmatig een kleine hoeveelheid vertrekt, zit er aan de onderkant van de maag de maagspier, dit is een kringspier.
Op het einde van de de twaalfvingerige darm (hij is inderdaad ongeveer twaalf vingers lang!) voegt de pancreas of alvleesklier alvleessap en de galblaas gal, daat door de lever is geproduceert (de galblaas dient enkel als opslagplaatst), toe aan de voedselbrij. Gal doet 2 dingen:
- Het neutraliseert de zure omgeving.
- Het emulgeert vetten.
In de twaalfvingerige darm is het enzym trypsine actief. Dit enzym werkt het beste in een licht basisch milieu (pH 8). Gal neutraliseert het zure milieu van ongeveer pH 3 uit de maag en maakt het lichtjes basisch. Trypsine breekt lipiden of vetten af tot glycerol en 3 vetzuren.
Gal emulgeert vetten, d.w.z. het verdeelt "grote" vetdruppels in vele kleine vetdruppeltjes. Dit zorgt ervoor dat trypsine deze vetdruppeltjes veel sneller kan afbreken.
De pancreas of alvleesklier scheidt alvleessap af. Dit bevat enzymen die koolhydraten (suikers), proteïnen (eiwitten) en lipiden (vetten) afbreken.
Na de twaalfvingerige darm vervolgt het voedsel zijn weg in de dunne darm. Deze is ongeveer 7 meter lang en is de belangrijkste schakel in de spijsvertering. Deze verteert en neemt alle stoffen die nog verteerd moeten worden op. Het verteren gebeurt dankzij (dunne) darmsap. De dunne darm bevat enzymen die peptiden (= half verteerde eiwitten), lipiden (= vetten), saccharose (= kleine suikers), maltose (= half verteert zetmeel) en lactose (= kleine suikers) verteren.
De dikke darm bestaat o.a. uit de karteldarm.
De karteldarm heeft als functie het water uit de voedselbrij op te nemen en de voedselbrij herleiden tot een vaste stof. Omdat de overgebleven stof geen nut meer heeft voor ons lichaam, verlaat ze het lichaam in de vorm van uitwerpselen.
De endeldarm ontvangt deze uitwerpselen en slaagt ze op tot een redelijke hoeveelheid. Wanneer deze hoeveelheid groot is, moet de tijger zich ontlasten. Dit gebeurt via de aars die de uitwerpselen eerst tegenhoudt via de sluitspier. De sluitspier is een kringspier.