De jacht
De tijger is een carnivoor, wat inhoudt dat hij vlees moet eten. Hiervoor moet hij op prooien jagen om te kunnen overleven. Dankzij zijn gespierde achterpoten, zijn goede ogen, zijn scherpe reukzin en zijn schutkleur enz. is hij in staat om zijn prooi te verschalken. Zijn voedsel bestaat uit zwijnen, herten, antilopen en runderen. Wanneer deze zo goed als verdwenen zijn in zijn territorium, neemt hij genoegen met kleinere prooien zoals knaagdieren.
Een tijger heeft per dag ongeveer 5 kilogram vlees nodig. Dit heeft hij nodig zodat hij het kan verteren en zo deze bouwstoffen van zijn prooi kan gebruiken voor zichzelf. Een tijger heeft per dag ongeveer 5 kilo vlees nodig. De rest van zijn gedode prooi (een everzwijn heeft al snel 100 kilogram aan vlees) verstopt hij, om te voorkomen dat aaseters de rest van het kreng gaan oppeuzelen.
Wanneer de tijger een prooi heeft gevangen, zal hij dan ook eerst de beste stukken opeten (zoals de biefstukken en de lever) omdat er altijd een kans bestaat dat aaseters dit kreng vinden om het verder te plunderen.
Het vangen van een prooi gebeurt steeds volgens hetzelfde ritueel:
- Hij besluipt zijn prooi windaf, zodat deze hem zeker niet kan ruiken.
- Hij sluipt zo dicht mogelijk bij zijn prooi.
- Wanneer hij dicht genoeg genaderd is, zet hij een spurt in naar zijn prooi.
- Hij haalt zijn prooi in en springt naar diens nek.
- Hij zet zich met zijn sterke kaken vast in de nek.
- Hij trekt het dier tegen de grond.
- Hij laat het dier stikken door de keel over te bijten.
Ondanks deze techniek en zijn aanpassingen lukt het hem ongeveer 1 op 5 prooien te vangen.
De tijger jaagt enkel om te eten, voor de rest zijn tijgers eigenlijk relatief ongevaarlijk, behalve als ze jongen hebben. Er zijn dan ook al veel gevallen bekend van tijgers die gewoon ongeïnteresseerd langs mensen lopen of zelfs in de buitenwijken van een stad rondlopen.